Opeisbaarheid vordering kinderen bij hertrouwen niet in strijd met goede zeden

Het is heel gebruikelijk dat testamenten een regeling bevatten waarin de kinderen na overlijden van een van de ouders een geldvordering (ter grootte van hun erfdeel) krijgen op de langstlevende ouder. Vaak is die geldvordering - op grond van het bepaalde in het testament van de overleden ouder - opeisbaar bij hertrouwen in gemeenschap van goederen van de langstlevende ouder. De vraag werd aan de orde gesteld of deze grond voor opeising niet strijdig is met de goede zeden of de openbare orde. En als het dan niet in strijd is met de goede orde, kan dan verjaring nog een rol spelen?


Uitgangspunt in het recht is dat iedereen de vrijheid heeft om in een testament – binnen de grenzen van de wet – zijn of haar laatste wil vast te leggen. Als de inhoud van een bepaling de grens van goede zeden of openbare orde overschrijdt, is die bepaling nietig.

Een kind eiste de vordering op, toen de langstlevende opnieuw in het huwelijk trad en in gemeenschap van goederen trouwde. De langstlevende meende dat opeising in strijd met de goede zeden en de openbare was omdat het haar persoonlijke vrijheid teveel beknotte.

Maatschappelijke opvattingen in het verleden en in het heden geven veel ruimte aan de testateur. De bepaling van opeisbaarheid van de geldvordering bij hertrouwen in gemeenschap van goederen was en is  niet strijdig met de goede zeden of openbare orde. In dit specifieke geval had de langstlevende op grond van het testament de mogelijkheid de opeisingsgrond te omzeilen door op huwelijkse voorwaarden te hertrouwen.

De conclusie is dan ook dat de persoonlijke vrijheid van de hertrouwende ouder niet zo erg door de clausule wordt beïnvloed dat deze strijdig zou zijn met goede zeden of openbare orde.

Het tweede argument dat de langstlevende tegen de opeising in stelling bracht, was dat het kind te laat was met het indienen van zijn vordering. Het recht daartoe zou zijn verjaard omdat de opeising dertien jaar na hertrouwen van de langstlevende plaatsvond.

Echter verjaring van de mogelijkheid tot opeising van een testamentaire vordering verjaart na verloop van twintig jaar. Als de vordering gebaseerd zou zijn geweest op een afspraak tussen de erven onderling (dus niet op grond van het testament), zou de verjaringstermijn vijf jaar zijn geweest.

De verjaringstermijn begint bij het opeisbaar worden van de vordering, in deze situatie dus het moment van het hertrouwen in gemeenschap van goederen door de langstlevende.

Wilt u meer weten over het maken van een testament in het algemeen en van de geldvorderingen voor kinderen in het bijzonder? Bel ons voor het maken van een afspraak.