Periodiek verrekenbeding meestal ook van toepassing op aandelen BV

In huwelijkse voorwaarden kunnen partners de verplichting vastleggen om jaarlijks de inkomsten uit arbeid te verrekenen. Daarbij wordt dan ook nog vaak opgenomen dat hieronder ook wordt begrepen de winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf. Het kiezen van een bepaalde rechtsvorm door de ondernemende partner leidt er niet toe dat deze zijn plicht tot verrekening eenzijdig zou kunnen inperken.


Bij scheiding is een voor de hand liggend discussiepunt of de aandelen in de BV waarvan de ene partner directeur en enig aandeelhouder is, tot het te verrekenen vermogen behoren. Voor het antwoord op die vraag zijn verschillende factoren van belang.

In de eerste plaats gaat het er om of er uitvoering is gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Zo niet, dan wordt op grond van bestaande jurisprudentie (rechtspraak), bij beëindiging van het huwelijk gedaan alsof er gemeenschap van goederen zou zijn. Alles op één hoop en delen door twee.

Ook speelt de vraag of de betwistende partij (de ondernemer) voldoende heeft onderbouwd dat hij de aandelen in de BV anders dan via overgespaard inkomen heeft verkregen. Zo niet, dan worden de aandelen geacht te behoren tot het te verrekenen vermogen.

In de derde plaats laat de praktijk zien dat partijen die huwelijkse voorwaarden sluiten in het algemeen weinig belang hechten aan de vraag in welk juridisch jasje de “inkomen genererende arbeid” zal worden verricht. Als niet duidelijk kan worden aangetoond dat dit verschil destijds expliciet voor een van de partijen van belang was in het kader van de huwelijkse voorwaarden, dan is er geen reden de aandelen van de verrekenplicht uit te sluiten.

Tot slot zou nog de vraag kunnen rijzen of er op andere gronden sprake kan zijn van een zogenaamde “(tegen)indicatie”, zoals in een vergelijkbare situatie waarin winst uit beroep of bedrijf ook tot de inkomsten uit arbeid werden gerekend, maar waarin de familie van de uiteindelijk ondernemende partner voorafgaand aan het betreffende huwelijk heeft geëist dat bij scheiding het bedrijf buiten schot zou blijven. Dan moet duidelijk blijken dat de andere partner toen had moeten veronderstellen of weten dat het verrekenbeding alleen betrekking zou hebben op toekomstige beroepsuitoefening als bijvoorbeeld zzp-er of als maat in een firma of maatschap en niet op het drijven van een onderneming via een rechtspersoon.

Wilt u meer weten over het periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden in relatie tot het uitoefenen van een beroep of bedrijf? Bel ons of klik op de link onder het kopje “Meer informatie” en wij nemen zo spoedig mogelijk contact met u op.